Ouders met een verstandelijke beperking en jeugdbescherming
Een case-control studie
Dr. Lianne Bakkum, universitair docent bij de Vrije Universiteit Amsterdam, afdeling Pedagogische- en Onderwijswetenschappen.
Prof. dr. Carlo Schuengel is hoogleraar bij de Vrije Universiteit Amsterdam, afdeling Pedagogische- en Onderwijswetenschappen
Correspondentieadres:
Lianne Bakkum, Afdeling Pedagogische- en Onderwijswetenschappen, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen,
Vrije Universiteit Amsterdam, Van der Boechorststraat 7, 1081 BT Amsterdam. E-mail: l.bakkum@vu.n
1. Inleiding
Ouders met een verstandelijke beperking worden vaak geconfronteerd met uitdagingen, zoals mentale gezondheidsproblemen en sociaaleconomische kwetsbaarheid, die van invloed kunnen zijn op hun rol als ouder (Emerson & Brigham, 2013). In de afgelopen dertig jaar is er steeds meer aandacht voor de oververtegenwoordiging van kinderen van ouders met een verstandelijke beperking in het jeugdbeschermingssysteem (Feldman & Aunos, 2020; Llewellyn & Hindmarsh, 2015). Studies naar aantallen kinderen van ouders met een verstandelijke beperking zijn gedaan in Australië (Lima et al., 2022; Llewellyn et al., 2003), Canada (Feldman et al., 2012; McConnell et al., 2011), het Verenigd Koninkrijk (Booth et al., 2005), en de Verenigde Staten (Taylor et al., 1991; LaLiberte et al., 2017; Slayter & Jensen, 2019). De vraag is of ook in Nederland sprake is van oververtegenwoordiging en hoe deze tot stand komt.
Een verstandelijke beperking wordt gekenmerkt door beperkingen in intellectueel functioneren (IQ-score van ≤70) en adaptief functioneren, blijkend uit conceptuele, praktische en sociale vaardigheden, vastgesteld voor de leeftijd van 18 jaar (Schalock et al., 2010). Vroegere studies op het gebied van ouderschap en verstandelijke beperking, waarvan de meeste alleen moeders betroffen, gingen vaak uit van de aanname dat deze moeders door hun beperking een kwetsbare groep vormen. Daarnaast werd aangenomen dat hun kinderen te maken krijgen met ongunstige ontwikkelingsuitkomsten, zonder dat de omstandigheden van gezinnen daarin werden meegenomen (Llewellyn & Hindmarsh, 2015). Zoals aangetoond in epidemiologisch onderzoek hebben ouders met een verstandelijke beperking meer kans op mentale gezondheidsproblemen, middelenmisbruik en armoede dan ouders zonder verstandelijke beperking (bijv., Emerson & Brigham, 2013; Wickström et al., 2017). Deze omstandigheden kunnen impact hebben op hun vaardigheden als ouders. Hoewel kinderen van ouders met een verstandelijke beperking een grotere kans hebben op ongunstige ontwikkelingsuitkomsten (bijv., Mitra et al., 2015; Powell et al., 2016) blijken dergelijke verbanden in sommige studies verklaard te worden door contextuele factoren, zoals armoede, mentale gezondheidsproblemen, en verminderde sociale steun (bijv. Hindmarsh et al., 2017; Powell et al., 2016; zie ook Feldman & Aunos, 2020). Zoals Llewellyn en Hindmarsh (2015) hebben aangekaart, is het belangrijk om de omstandigheden van ouders met en zonder verstandelijke beperking met elkaar te vergelijken. Zo kunnen we beter begrijpen welke omstandigheden bijdragen aan de ontwikkeling van deze kinderen en welke ondersteuning deze gezinnen nodig hebben.
De representatie van ouders met een verstandelijke beperking binnen de jeugdbescherming wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het aantal ouders met een verstandelijke beperking in de jeugdbescherming en hun aandeel in de algemene bevolking. Het onderzoek in andere landen laat zien dat ouders met een verstandelijke beperking disproportioneel vertegenwoordigd zijn binnen de jeugdbescherming (Booth et al., 2005; Feldman et al., 2012; LaLiberte et al., 2017; Lima et al., 2022; Llewellyn et al., 2003; McConnell et al., 2011; Taylor et al., 1991) met percentages tussen de 9 procent (Llewellyn et al., 2003) en 51 procent (Taylor et al., 1991). Wereldwijd varieert de prevalentie van een verstandelijke beperking tussen de 0,1 en 15,6 procent (Maulik et al., 2011).
Er kunnen verschillende redenen zijn voor deze oververtegenwoordiging. Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking kunnen onder verscherpt toezicht staan van hulpverleners, waardoor zij op jongere leeftijd in aanraking komen met jeugdbescherming. Tegelijkertijd is het mogelijk dat deze ouders juist minder toegang hebben tot passende zorg (Ćwirynkało & Parchomiuk, 2023), waardoor risico’s later worden gesignaleerd en ondersteuning te laat op gang komt. Langdurige plaatsingen in jeugdbescherming kunnen bovendien een aanwijzing zijn voor onvoldoende ondersteuning bij gezinshereniging.
Inzicht in de kenmerken van jeugdbeschermingstrajecten, zoals leeftijd bij instroom en de duur van de plaatsing, draagt bij aan het begrijpen welke van deze aannames plausibel zijn en kan richting geven aan effectieve strategieën om de oververtegenwoordiging aan te pakken.
Eerder onderzoek heeft inzicht gegeven in kenmerken van jeugdbeschermingstrajecten, waarbij ouders met en zonder verstandelijke beperking met elkaar werden vergeleken. In de meeste studies zijn daarvoor dossiers uit de rechtbank of uit het sociaal werk gebruikt, waarin de verstandelijke beperking van ouders gebaseerd was op beoordelingen van zorgverleners (Booth et al., 2005; Llewellyn et al., 2003; Feldman et al., 2012; McConnell et al., 2011; Taylor et al., 1991). Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking waren gemiddeld jonger bij instroom in de jeugdbescherming (Llewellyn et al., 2003), vaker pasgeboren (Booth et al., 2005) en kregen vaker een middellange maatregel opgelegd dan een korte of langdurige maatregel (Llewellyn et al., 2003). Daarnaast hadden zij een groter risico op uithuisplaatsing (Booth et al., 2005) en plaatsing buiten het familienetwerk (Booth et al., 2005; Llewellyn et al., 2003).
In meer recente studies zijn bevolkingsgegevens gebruikt om kenmerken van jeugdbeschermingstrajecten van kinderen met en zonder ouders met een verstandelijke beperking te vergelijken (LaLiberte et al., 2017; Lima et al., 2022; Slayter & Jensen, 2019). Door jeugdbeschermingsdata te koppelen aan andere databronnen, zoals van het onderwijs en de gezondheidszorg, wordt beter zichtbaar welke factoren een rol spelen bij het opleggen van jeugdbeschermingsmaatregelen. Bovendien verkleint het gebruik van populatiedata het risico op selectiebias ten opzichte van de gelegenheidssteekproeven die veelal worden getrokken.
Populatiestudies tonen dat ouders met een verstandelijke beperking een groter risico hebben op uithuisplaatsing en beëindiging van het ouderlijk gezag vergeleken met ouders met andere beperkingen en ouders zonder beperkingen (LaLiberte et al., 2017) en dat deze ouders minder vaak worden doorverwezen naar gezinsondersteuning en pleegzorg (Slayter & Jensen, 2019), wat duidt op mindere toegang tot zorg. In een andere studie (Lima et al., 2022) waarin populatiedata werden gekoppeld aan gezondheidszorggegevens, bleek dat mentale gezondheidsproblemen en middelenmisbruik het risico op jeugdbeschermingsmaatregelen verhoogden bij moeders met een verstandelijke beperking.
In onderzoek naar jeugdbeschermingstrajecten is het belangrijk om de gezinscontext mee te nemen. Inzicht in het aantal kinderen dat betrokken is bij jeugdbescherming en jeugdhulp kan namelijk dienen als een indicator voor gezinsbrede problematiek, zoals kindermishandeling, stressoren in de omgeving of beperkte toegang tot zorg. Op basis van 285 rechtbankdossiers vonden Llewellyn en collega’s (2003) geen statistisch significante verschillen in het aantal kinderen binnen hetzelfde gezin onder jeugdbescherming tussen ouders met een verstandelijke beperking, ouders met andere beperkingen en ouders zonder beperkingen. Meer inzicht is daarom nodig op basis van grotere en beter generaliseerbare steekproeven.
Eerder onderzoek uit Australië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten heeft enig inzicht gegeven in de jeugdbeschermingstrajecten van gezinnen met een ouder met een verstandelijke beperking. Daarbij is gekeken naar onder meer de leeftijd van de kinderen, uitkomsten van plaatsing (zoals uithuisplaatsing, gezagsbeëindiging) en het aantal betrokken kinderen. Deze bevindingen kunnen echter niet zonder meer toegepast worden op Nederland. Nederland kent een andere organisatie van jeugdzorg en jeugdbescherming en een ruime definitie van een verstandelijke beperking. Daarbij is het gebruik van populatiedata essentieel om de beperkingen van selectieve steekproeven te ondervangen (zie ook Llewellyn & Hindmarsh, 2015).
In dit onderzoek is administratieve populatiedata van het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruikt om ouders met en zonder indicatie van een verstandelijke beperking te vergelijken. Er is gekeken naar de volgende kenmerken van jeugdbeschermingstrajecten:
- Leeftijd van de kinderen bij instroom in jeugdbescherming en jeugdzorg
- De duur van de eerste jeugdbeschermingsmaatregel; en
- De kans om ook een broer/zus onder jeugdbescherming of jeugdzorg te hebben.
Voor het eerste en derde kenmerk is onderscheid gemaakt tussen a) jeugdbeschermingsmaatregelen, b) jeugdzorg gecombineerd met een jeugdbeschermingsmaatregel en c) jeugdzorg zonder jeugdbeschermingsmaatregel. Voor de duur van jeugdbescherming is gekeken naar de duur van de eerste maatregel. Wanneer een maatregel voor de eerste keer wordt opgelegd, volgt de rechter doorgaans het advies van de gecertificeerde instelling, dat is gebaseerd op risico-inschattingen. Langdurige initiële maatregelen kunnen wijzen op een hogere inschatting van risico’s door betrokken hulpverleners.
2. Methode
2.1 Onderzoeksdesign en databronnen
Er is een case-controldesign gebruikt met microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dit zijn niet-publiekelijk toegankelijke administratieve data, die onder voorwaarden toegankelijk zijn voor statistisch en wetenschappelijk onderzoek. Er zijn in dit onderzoek twee populatiecohorten gebruikt van rapportagejaren 2015-2021: kinderen in jeugdbescherming (totale N = 91.174) en kinderen in jeugdzorg (totale N = 3.277.934). De datasets zijn als volgt samengesteld: 1) in beide populatiedatasets zijn kinderen gekoppeld aan hun geregistreerde ouder(s); 2) ouders zijn geclassificeerd met en zonder verstandelijke beperking door data te koppelen over indicaties voor uitkeringen, langdurige zorg, en/of beschut werk gebaseerd op een verstandelijke beperking (aan de hand van de methode beschreven door Cuypers et al., 2021); 3) de datasets zijn gekoppeld aan data over sociaaleconomische status; 4) twee datasets van kinderen in jeugdzorg met en zonder jeugdbeschermingsmaatregel zijn gemaakt door jeugdbeschermingsdata aan jeugdzorgdata te koppelen; 5) broers en zussen zijn geïdentificeerd als ze dezelfde moeder, vader of beide hadden; 6) in elke van de drie datasets is propensity score matching (zie Austin, 2011) gebruikt om kinderen met ouder(s) met een indicatie van een verstandelijke beperking te matchen met kinderen van ouders zonder indicatie van een verstandelijke beperking; dit is 1:1 gedaan op basis van sociaaleconomische status en éénouderschap (het hebben van één geregistreerde ouder). Hiermee worden deze achtergrondkenmerken uitgeschakeld als alternatieve verklaring voor verschillen tussen de cases en de controls.
Hieruit volgden de volgende datasets:
- Kinderen in jeugdbescherming: N = 4.526 kinderen met minstens één ouder met een verstandelijke beperking (cases) en N = 4.526 kinderen in de controlegroep (niet-gematchte controlegroep: N = 86.648).
- Kinderen in jeugdzorg met een jeugdbeschermingsmaatregel: N = 3.200 kinderen met minstens één ouder met een verstandelijke beperking (cases) en N = 3.200 kinderen in de controlegroep (niet-gematchte controlegroep: N = 77.934). Bij een jeugdbeschermingsmaatregel is jeugdzorg doorgaans verplicht.
- Kinderen in jeugdzorg zonder een jeugdbeschermingsmaatregel: N = 318 kinderen met minstens één ouder met een verstandelijke beperking (cases) en N = 318 kinderen in de controlegroep (niet-gematchte controlegroep: N = 963.900). Zonder jeugdbeschermingsmaatregel is jeugdzorg vrijwillig.
Hoewel we geen groepsverschillen hebben onderzocht in de soorten jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdhulptrajecten, presenteren we beschrijvende statistieken van deze categorieën om de bevindingen te duiden:
- Jeugdbeschermingsmaatregelen: In Nederland kan de kinderrechter twee vormen van jeugdbescherming opleggen: a) ondertoezichtstelling, waarbij jeugdzorg verplicht is. Deze maatregel kan ook tijdelijk en met spoed worden ingezet als er sprake is van acuut en ernstig gevaar voor het welzijn van het kind; b) voogdij, wat inhoudt dat iemand anders, zoals een pleegouder of familielid, het gezag over het kind krijgt. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij beëindiging van het ouderlijk gezag of wanneer de ouders zijn overleden. Voogdij kan ook tijdelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer ouders minderjarig zijn, of met spoed worden opgelegd.
- Jeugdhulptrajecten: vier vormen van jeugdhulp zonder verblijf worden onderscheiden: a) jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, bestaande uit jeugdhulpverleners, maatschappelijk werkers, politie en andere betrokkenen; b) ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder; c) daghulp op locatie van de aanbieder; of d) jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige (bijvoorbeeld familieleden). Drie vormen van jeugdhulp met verblijf worden onderscheiden: a) gesloten plaatsing; b) gezinsgerichte plaatsing; en c) pleegzorg.
2.2 Variabelen
De volgende variabelen zijn gebruikt voor de hoofdanalyses: het hebben van minstens één ouder geclassificeerd met een verstandelijke beperking (dichotoom; ja/nee); leeftijd van het kind bij instroom in jeugdbescherming/jeugdzorg (continue; in weken); het hebben van een broertje/zusje in jeugdbescherming (dichotoom; ja/nee); het hebben van één geregistreerde ouder (dichotoom; ja/nee); sociaaleconomische status van de kostwinner van het huishouden – dit is een samengestelde variabele van financiële welvaart, onderwijs, en arbeidsverleden (continue) (zie Centraal Bureau voor de Statistiek (2024) voor de validiteit van deze variabele) en missende informatie over sociaaleconomische status (dichotoom; ja/nee). In de dataset over jeugdbescherming was ook een variabele geïncludeerd van de duur van de eerste maatregel (continue; in weken).
2.3 Methoden van data-analyse
De data zijn geanalyseerd in R (R Core Team, 2023) met R studio (R Studio Team, 2024). De data zijn opgeschoond met het tidyverse-pakket (Wickham et al., 2019). Missende data over sociaaleconomische status is geïmputeerd met mice (Van Buuren & Groothuis-Oudshoorn, 2023). Beschrijvende statistieken zijn berekend met psych (Revelle, 2023) en plots zijn gemaakt met ggplot2 (Wickham et al., 2019).
Propensity score matching (MatchIt; Ho et al., 2023) is gebruikt om kinderen met en zonder ouders met een verstandelijke beperking te matchen aan de hand van de volgende variabelen: sociaaleconomische status, missende informatie over sociaaleconomische status (dichotoom: 0 = niet missend, 1 = missend), en het aantal geregistreerde ouders (dichotoom: 0 = twee geregistreerde ouders, 1 = één geregistreerde ouder). Elk kind met een ouder(s) geclassificeerd met een verstandelijke beperking (case) is gematcht met een kind met ouders geclassificeerd zonder verstandelijke beperking (controle) die een vergelijkbare propensity score had. We hebben 1-op-1 matching gebruikt. Deze methode wordt aanbevolen om bias te minimaliseren (Austin, 2010).
Voor de analyses met continue uitkomstmaten (leeftijd van kinderen, duur van maatregelen) is lineaire regressie gebruikt. Logistische regressie is gebruikt voor de analyses met dichotome uitkomstmaten (het hebben van een broertje/zusje in jeugdbescherming/jeugdhulp). Het hebben van minstens één ouder (dichotoom) was de onafhankelijke variabele in alle modellen. Voor alle analyses is een alpha van 0,05 gebruikt. De analysecode is beschikbaar via Open Science Framework: https://osf.io/xgwqc/.
3. Resultaten
3.1 Beschrijvende statistiek
In Tabel 1 worden beschrijvende statistieken gerapporteerd van kinderen van ouders met een verstandelijke beperking en de gematchte controlegroepen.
3.2 Uitkomsten van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdhulptrajecten
Leeftijd bij instroom. Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking waren statistisch significant jonger dan kinderen in de controlegroep bij instroom in jeugdbescherming (Mverschil= -177 weken, B = -176,76, SE = 5,57, p < 0,001, 95% BI [-187,68; -165,83], R2 = 0,1), jeugdzorg met een jeugdbeschermingsmaatregel (Mverschil = -152 weken, B = -152,73, SE = 6,76, p < 0,001, 95% BI [-165,97; -139,48], R2 = 0,07) en jeugdzorg zonder jeugdbeschermingsmaatregel (Mverschil = -143 weken, B = -143,10, SE = 23,23, p < 0,001, 95% BI [-188,72; -97,47], R2 = 0,06).
Duur van de eerste jeugdbeschermingsmaatregel. De eerste jeugdbeschermingsmaatregel die werd opgelegd aan kinderen van ouders met een verstandelijke beperking duurde statistisch significant langer dan die van de controlegroep (Mverschil = 35 weken, B = 34,68, SE = 4,46, p < 0,001, 95% BI [25,94; 43,42], R2 = 0,01).
Deze resultaten zijn weergegeven in figuur 1.
Kans om een broertje/zusje in jeugdzorg of jeugdbescherming te hebben. Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking hadden vaker een broertje/zusje in jeugdbescherming (OR 1,28, p < 0,001, 95% BI [1,18; 1,40]), jeugdzorg met een jeugdbeschermingsmaatregel (OR 1,14, p < 0,05, 95% BI [1,02; 1,27]), en in jeugdzorg zonder jeugdbeschermingsmaatregel (OR 69,23, p < 0,001, 95% BI [30,84; 198,00]). Deze resultaten zijn weergegeven in Figuur 2.
4. Discussie
Op basis van bevolkingsgegevens laat deze studie zien dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking op jongere leeftijd instroomden in de jeugdbescherming en jeugdhulp dan kinderen in de controlegroep. Daarnaast duurden de jeugdbeschermingsmaatregelen bij deze kinderen langer en hadden zij vaker een broertje/zusje met een jeugdbeschermingsmaatregel en/of een jeugdhulptraject in vergelijking met kinderen in de controlegroep.
De bevinding dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking op jongere leeftijd instromen in de jeugdbescherming, komt overeen met eerdere studies uitgevoerd in andere landen (Booth et al., 2005; Llewellyn et al., 2003). Deze uitkomst kan erop wijzen dat deze ouders, vanwege hun verstandelijke beperking onder verscherpt toezicht staan van hulpverleners. Er kan daarbij sprake zijn van bias in de besluitvorming (Proctor & Azar, 2013; Rice & Sigurjónsdóttir, 2018). Eerder onderzoek aan de hand van rechtbankdossiers in Canada toont aan dat rapportages vanuit jeugdzorg vaker de nadruk legden op ouderkenmerken, zoals IQ, ter onderbouwing van beslissingen. Daarentegen richtten rapportages vanuit de verstandelijk gehandicaptenzorg zich meer op de mogelijke meerwaarde van ondersteuning voor ouders (Aunos & Pacheco, 2021). Een alternatieve verklaring is dat hulpverleners al op jonge leeftijd, of zelfs tijdens de zwangerschap, een opeenstapeling van risicofactoren voor de veiligheid van het kind hebben gesignaleerd (Zijlstra et al., 2024).
De resultaten laten ook zien dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking op jongere leeftijd instromen in jeugdzorg vergeleken met kinderen uit de controlegroep. Dit zou kunnen impliceren dat ouders met een verstandelijke beperking verminderde toegang tot preventieve hulp hebben voordat zij instromen in geïndiceerde jeugdzorg. Kwalitatief onderzoek met vaders met een verstandelijke beperking laat inderdaad zien dat zij een gebrek aan professionele en sociale steun ervaren (Ćwirynkało & Parchomiuk, 2023). Hiernaast kunnen hulpverleners meer geneigd zijn om direct een jeugdbeschermingsmaatregel op te leggen in plaats van eerst preventieve zorg aan te bieden. Zij verwachten mogelijk weinig verbetering in de opvoedvaardigheden van ouders met een verstandelijke beperking (Meppelder et al., 2014).
Ook de langere duur van jeugdbeschermingsmaatregelen bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking, zoals aangetoond in dit onderzoek, zou erop kunnen duiden dat deze ouders onder verscherpt toezicht staan door hulpverleners. Daarnaast zou het kunnen dat ouders moeite hebben om te voldoen aan verwachtingen van de rechtbank en hulpverleningsinstanties en dat opgelegde interventies mogelijk niet aansluiten op hun ondersteuningsbehoeften (Booth et al., 2006). Er bestaan wel opvoedinterventies specifiek ontworpen voor ouders met een verstandelijke beperking (bijv. Hodes et al., 2018; zie ook Wade et al., 2008; Zijlstra et al., 2023). Het is echter niet bekend in hoeverre deze daadwerkelijk gebruikt worden in de praktijk.
Dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking vaker een broertje/zusje in jeugdbescherming en jeugdzorg hebben dan kinderen in de controlegroep wijkt af van de bevindingen van Llewellyn en collega’s (2003), die geen significant verschil vonden op basis van onderzoek van rechtbankdossiers. Onze resultaten duiden mogelijk op problemen binnen het gezin, zoals beperkte toegang tot zorg of mentale gezondheidsproblemen van ouders – factoren die in verband staan met opvoedgedrag (Wade et al., 2016). Ook contextuele factoren, zoals de aanwezigheid van een stabiel netwerk, kunnen een rol spelen in de risicobeoordeling van hulpverleners bij het al dan niet inzetten van een jeugdbeschermingsmaatregel. Dergelijke onderliggende factoren zouden in toekomstig onderzoek verder onderzocht kunnen worden. Een alternatieve verklaring is dat hulpverleners een verstandelijke beperking beschouwen als een probleem dat uitsluitend bij de ouder ligt. Problemen binnen het gezin worden dan mogelijk toegeschreven aan de ouder, zonder oog te hebben voor de dynamiek tussen ouders en kinderen.
4.1 Sterke punten en beperkingen
Bevolkingsgegevens zijn gebruikt om kinderen van ouders met een verstandelijke beperking te identificeren binnen jeugdbescherming en jeugdzorg. Voor de uitkomstmaten van jeugdbescherming en jeugdzorg met een jeugdbeschermingsmaatregel leidde dit tot precieze schattingen.
In deze studie zijn volwassenen als ouders geclassificeerd als zij geregistreerd waren als ouders in de administratieve data van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een beperking van het onderzoek is dat we geen rekening hebben gehouden met de samenstelling van huishoudens. Hiernaast zijn er beperkingen aan de methode om volwassenen met een verstandelijke beperking te identificeren in administratieve data; alleen personen met geregistreerde indicaties voor uitkeringen, langdurige zorg, en/of beschut werk zijn geclassificeerd met een verstandelijke beperking (zie Cuypers et al., 2021). Met deze methode wordt geen inzicht gegeven in het gebruik van deze voorzieningen – sommige personen gebruiken deze voorzieningen mogelijk niet of gebruiken andere voorzieningen of hebben beperkte toegang tot voorzieningen. Ten slotte is er in dit onderzoek niet gecontroleerd voor andere vormen van zorg die ouders mogelijk ontvangen. De focus lag op jeugdbescherming en jeugdhulp. Deze trajecten worden geïndiceerd voor individuele kinderen. Ouders – met en zonder verstandelijke beperking – kunnen hiernaast zorg ontvangen van wijk- of buurtteams, bijvoorbeeld in de vorm van opvoedondersteuning. Toekomstig onderzoek zou hier rekening mee kunnen houden.
4.2 Implicaties voor onderzoek
Deze studie heeft aangetoond dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking op jongere leeftijd en voor langere periodes betrokken raken bij jeugdbescherming en jeugdhulp. Nu is het van belang om de oorzaken en gevolgen van deze vorm van ongelijke behandeling nader te onderzoeken. Toekomstig onderzoek kan zich richten op andere kenmerken van jeugdbeschermingstrajecten. Daarbij kan specifiek aandacht worden besteed aan mogelijk beïnvloedbare factoren, zoals de timing en het type maatregel, en de samenhang daarvan met uitkomsten op de langere termijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met bekende risicofactoren voor een jeugdbeschermingsmaatregel, zoals problemen met mentale en fysieke gezondheid van kinderen en ouders, stressoren uit de omgeving, en beperkte toegang tot zorg (zie Zijlstra et al., 2023).
4.3 Implicaties voor de praktijk
De effectiviteit van jeugdbeschermingsmaatregelen is in deze studie niet direct onderzocht, maar er is wel inzicht verkregen in de mate waarin gezinnen met ouders met een verstandelijke beperking vaker en langduriger betrokken zijn bij jeugdbescherming. De bevindingen wijzen op structurele verschillen en benadrukken het belang van vervolgonderzoek naar onderliggende verklaringen met het oog op beter onderbouwd en effectief beleid. De gevonden verschillen kunnen wijzen op een mismatch tussen de aanpak van jeugdhulp en jeugdbescherming, waardoor de behoeften van gezinnen met ouders met een verstandelijke beperking niet goed worden herkend of adequaat worden aangepakt.
Door empirisch onderbouwde interventies te ontwerpen en hulpverleners te scholen kan jeugdbescherming beter worden afgestemd op de behoeften van ouders met een verstandelijke beperking. Tegelijkertijd worden daarmee mogelijke vooroordelen tegengegaan over de verstandelijke beperking als risicofactor voor verminderde opvoedvaardigheden. Bestaande kaders voor hulpverleners benadrukken dat structurele training, evidence-based beslissingsinstrumenten en maatwerk belangrijk zijn (Johns Hopkins University, 2022). Toekomstig onderzoek zou in kaart kunnen brengen hoe hulpverleners empirische bevindingen gebruiken in de praktijk, en in hoeverre bestaande interventies afgestemd zijn op de ondersteuningsbehoeften van ouders met een verstandelijke beperking.
4.4 Conclusie
Het is belangrijk om te benadrukken dat de meeste kinderen van ouders met een verstandelijke beperking niet betrokken raken in jeugdbescherming (Willems et al., 2007). Effectieve opvoedondersteuning die aansluit bij de specifieke behoeften van deze ouders, is essentieel voor hun succes als ouder (IASSID, 2008). Toekomstig onderzoek is daarom nodig om de omstandigheden te onderzoeken waaronder kinderen in jeugdbescherming terecht komen, welke trajecten worden opgestart (bijv. gesloten jeugdzorg, pleegzorg) en wat de uitkomsten van deze trajecten zijn. Ondanks decennia aan onderzoek over ouderschap en verstandelijke beperkingen, is er nog steeds ongelijkheid in de ondersteuning van gezinnen binnen het jeugdzorgsysteem.
Achtergrond: Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking (VB) zijn oververtegenwoordigd in jeugdbescherming. Het is belangrijk om de kenmerken van deze jeugdbeschermingstrajecten in kaart te brengen.
Doel: Kinderen met en zonder ouders met een VB werden vergeleken op de volgende kenmerken: leeftijd bij instroom in jeugdbescherming en jeugdzorg (weken), duur van de eerste interventie (weken), en de kans dat een broertje/zusje ook betrokken is in jeugdbescherming of jeugdzorg.
Data en setting: Bevolkingsgegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn gebruikt. Kinderen van ouders die met hoge waarschijnlijkheid een VB hadden (cases) zijn 1:1 gematcht met kinderen van ouders zonder een VB. De volgende datasets zijn gebruikt: N = 4,526 cases in jeugdbescherming; N = 3,200 cases in jeugdhulp met een jeugdbeschermingsmaatregel; N = 318 cases in jeugdhulp zonder een jeugdbeschermingsmaatregel.
Methode: Lineaire en logistische regressiemodellen zijn gebruikt voor de analyses.
Resultaten: Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking stroomden op jongere leeftijd in bij jeugdbescherming (B = -176,76, [-187,68; -165,83]), jeugdhulp met jeugdbescherming (B = -152,73, [-165,97; -139,48]) en jeugdhulp zonder jeugdbescherming (B = -143,10, [-188,72; -97,47]). Daarnaast duurde de eerste jeugdbeschermingsmaatregel langer (B = 34,68, [25,94; 43,42]). Bovendien hadden deze kinderen een hogere kans om een broertje/zusje te hebben in jeugdbescherming (OR 1,28, [1,18; 1,40]), jeugdhulp met jeugdbescherming (OR 1,14, [1,02; 1,27]) en jeugdhulp zonder jeugdbescherming (OR 69,23, [30,84; 198,00]).
Conclusie: Kinderen van ouders met een VB stromen op jongere leeftijd in bij jeugdbescherming en jeugdhulp, blijven langer betrokken, en ook vaker met een broertje/zusje. Deze studie benadrukt het belang om de contextuele factoren achter deze ongelijke behandeling verder te onderzoeken.
Dit artikel is een Nederlandse vertaling van de oorspronkelijke Engelstalige publicatie:
Bakkum, L., & Schuengel, C. (2025). Age at entry into the Dutch child protection system of children of parents with intellectual disability: A case-control study. Child Protection and Practice, 100142. https://doi.org/10.1016/j.chipro.2025.100142
Het oorspronkelijke artikel is gepubliceerd onder de Creative Commons Attribution 4.0
Deze studie is gefinancierd door ZonMw [641001103] (Viveon). De auteurs verklaren dat er geen sprake is van belangenverstrengeling. Beschikbaarheid van data: De resultaten in dit manuscript zijn gebaseerd op berekeningen van de Vrije Universiteit Amsterdam met niet-openbare microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Onder bepaalde voorwaarden zijn deze microdata beschikbaar voor statistisch en wetenschappelijk onderzoek. Voor meer informatie: microdata@cbs.nl.
Referenties
Atkin, C., & Kroese, B. S. (2022). Exploring the experiences of independent advocates and parents with intellectual disabilities, following their involvement in child protection proceedings. Disability & Society, 37(9), 1456–1478. https://doi.org/10.1080/09687599.2021.1881884
Aunos, M., Feldman, M., & Goupil, G. (2008). Mothering with intellectual disabilities: Relationship between social support, health and well‐being, parenting and child behaviour outcomes. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), 320–330. https://doi.org/10.1111/j.1468-3148.2008.00447.x
Aunos, M., & Pacheco, L. (2021). Able or unable: How do professionals determine the parenting capacity of mothers with intellectual disabilities. Journal of Public Child Welfare, 15(3), 357–383. https://doi.org/10.1080/15548732.2020.1729923
Austin, P. C. (2010). Statistical criteria for selecting the optimal number of untreated subjects matched to each treated subject when using many-to-one matching on the propensity score. American Journal of Epidemiology, 172(9), 1092–1097. https://doi.org/10.1093/aje/kwq224
Austin, P. C. (2011). An introduction to propensity score methods for reducing the effects of confounding in observational studies. Multivariate Behavioral Research, 46(3), 399–424. https://doi.org/10.1080/00273171.2011.568786
Booth, T., Booth, W., & McConnell, D. (2005). The prevalence and outcomes of care proceedings involving parents with learning difficulties in the family courts. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 18(1), 7–17. https://doi.org/10.1111/j.1468-3148.2004.00204.x
Booth, T., McConnell, D., & Booth, W. (2006). Temporal discrimination and parents with learning difficulties in the child protection system. British Journal of Social Work, 36(6), 997–1015. https://doi.org/10.1093/bjsw/bch401
Centraal Bureau voor de Statistiek (2024). Seswoa: Sociaaleconomische statusscores huishoudens. https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/maatwerk-en-microdata/microdata-zelf-onderzoek-doen/microdatabestanden/seswoa-sociaaleconomische-statusscores-huishoudens
Cuypers, M., Tobi, H., Naaldenberg, J., & Leusink, G. L. (2021). Linking national public services data to estimate the prevalence of intellectual disabilities in The Netherlands: Results from an explorative population-based study. Public Health, 195, 83–88. https://doi.org/10.1016/j.puhe.2021.04.002
Ćwirynkało, K., & Parchomiuk, M. (2023). Support as described by fathers with intellectual disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 36(2), 320–332. https://doi.org/10.1111/jar.13061
Emerson, E., & Brigham, P. (2013). Health behaviours and mental health status of parents with intellectual disabilities: Cross sectional study. Public Health, 127(12), 1111–1116. https://doi.org/10.1016/j.puhe.2013.10.001
Feldman, M. A., & Aunos, M. (2020). Recent trends and future directions in research regarding parents with intellectual and developmental disabilities. Current Developmental Disorders Reports, 7(3), 173–181. https://doi.org/10.1007/s40474-020-00204-y
Feldman, M., McConnell, D., & Aunos, M. (2012). Parental cognitive impairment, mental health, and child outcomes in a child protection population. Journal of Mental Health Research in Intellectual Disabilities, 5(1), 66–90. https://doi.org/10.1080/19315864.2011.587632
Ho, D. E., Imai, K., King, G., & Stuart, E. A. (2023). matchIt (Version 4.5.4) [Computer software]. https://cran.r-project.org/web/packages/matchIt/index.html
Hodes, M. W., Meppelder, M., De Moor, M., Kef, S., & Schuengel, C. (2018). Effects of video‐feedback intervention on harmonious parent–child interaction and sensitive discipline of parents with intellectual disabilities: A randomized controlled trial. Child: Care, Health and Development, 44(2), 304–311. https://doi.org/10.1111/cch.12506
Johns Hopkins University. (2022). Toolkit to support home visiting services for caregivers with learning differences: Conceptual model and resource compendium. Health Resources and Services Administration (HRSA).
LaLiberte, T., Piescher, K., Mickelson, N., & Lee, M. H. (2017). Child protection services and parents with intellectual and developmental disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 30(3), 521–532. https://doi.org/10.1111/jar.12323
Lima, F., O’Donnell, M., Bourke, J., Wolff, B., Gibberd, A., Llewellyn, G., & Leonard, H. (2022). Child protection involvement of children of mothers with intellectual disability. Child Abuse & Neglect, 126, 105515. https://doi.org/10.1016/j.chiabu.2022.105515
Llewellyn, G., & Hindmarsh, G. (2015). Parents with intellectual disability in a population context. Current Developmental Disorders Reports, 2(2), 119–126. https://doi.org/10.1007/s40474-015-0042-x
Llewellyn, G., McConnell, D., & Ferronato, L. (2003). Prevalence and outcomes for parents with disabilities and their children in an Australian court sample. Child Abuse & Neglect, 27(3), 235–251. https://doi.org/10.1016/S0145-2134(03)00004-8
Maulik, P. K., Mascarenhas, M. N., Mathers, C. D., Dua, T., & Saxena, S. (2011). Prevalence of intellectual disability: A meta-analysis of population-based studies. Research in Developmental Disabilities, 32(2), 419–436. https://doi.org/10.1016/j.ridd.2010.12.018
McConnell, D., Feldman, M., Aunos, M., & Prasad, N. (2011). Parental cognitive impairment and child maltreatment in Canada. Child Abuse & Neglect, 35(8), 621–632. https://doi.org/10.1016/j.chiabu.2011.04.005
Meppelder, M., Hodes, M. W., Kef, S., & Schuengel, C. (2014). Expecting change: Mindset of staff supporting parents with mild intellectual disabilities. Research in Developmental Disabilities, 35(12), 3260–3268. https://doi.org/10.1016/j.ridd.2014.08.015
Mitra, M., Parish, S. L., Clements, K. M., Cui, X., & Diop, H. (2015). Pregnancy outcomes among women with intellectual and developmental disabilities. American Journal of Preventive Medicine, 48(3), 300–308. https://doi.org/10.1016/j.amepre.2014.09.032
Pacheco, L., Aunos, M., Feldman, M., & McConnell, D. (2022). Reasonable efforts? Child maltreatment investigations and service referrals of parents with ascribed cognitive impairments in Canada. Child Maltreatment, 27(3), 501–510. https://doi.org/10.1177/10775595211001109
Proctor, S. N., & Azar, S. T. (2013). The effect of parental intellectual disability status on child protection service worker decision making. Journal of Intellectual Disability Research, 57(12), 1104–1116. https://doi.org/10.1111/j.1365-2788.2012.01623.x
R Core Team. (2023). R: A language and environment for statistical computing (Version 4.2.3, p. R Foundation for Statistical Computing) [Computer software]. https://www.R-project.org/
Revelle, W. (2023). Psych (Version 2.3.6) [Computer software]. https://cran.r-project.org/web/packages/psych/index.html
Rice, J., & Sigurjónsdóttir, H. B. (2018). Notifying neglect: Child protection as an application of bureaucratic power against marginalized parents. Human Organization, 77(2), 112–121. https://doi.org/10.17730/0018-7259-77.2.112
RStudio Team. (2024). RStudio (Version 2024.04.01, p. RStudio, PBC) [Computer software]. https://rstudio.com/
Slayter, E. M., & Jensen, J. (2019). Parents with intellectual disabilities in the child protection system. Children and Youth Services Review, 98, 297–304. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2019.01.013
Taylor, C. G., Norman, D. K., Murphy, J. M., Jellinek, M., Quinn, D., Poitrast, F. G., & Goshko, M. (1991). Diagnosed intellectual and emotional impairment among parents who seriously mistreat their children: Prevalence, type, and outcome in a court sample. Child Abuse & Neglect, 15(4), 389–401. https://doi.org/10.1016/0145-2134(91)90023-7
Tøssebro, J., Midjo, T., Paulsen, V., & Berg, B. (2017). Prevalence, trends and custody among children of parents with intellectual disabilities in Norway. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 30(3), 533–542. https://doi.org/10.1111/jar.12304
Van Buuren, S., & Groothuis-Oudshoorn, K. (2023). Mice (Version 3.16.0) [Computer software]. https://cran.r-project.org/web/packages/mice/index.html
Wade, C., Llewellyn, G., & Matthews, J. (2008). Review of parent training interventions for parents with intellectual disability. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), 351–366. https://doi.org/10.1111/j.1468-3148.2008.00449.x
Wade, C., Llewellyn, G., & Matthews, J. (2015). Parent mental health as a mediator of contextual effects on parents with intellectual disabilities and their children. Clinical Psychologist, 19(1), 28–38. https://doi.org/10.1111/cp.12055
Wickham, H., Averick, M., Bryan, J., Chang, W., McGowan, L., François, R., Grolemund, G., Hayes, A., Henry, L., Hester, J., Kuhn, M., Pedersen, T., Miller, E., Bache, S., Müller, K., Ooms, J., Robinson, D., Seidel, D., Spinu, V., … Yutani, H. (2019). Welcome to the tidyverse. Journal of Open Source Software, 4(43), 1686. https://doi.org/10.21105/joss.01686
Wickström, M., Höglund, B., Larsson, M., & Lundgren, M. (2017). Increased risk for mental illness, injuries, and violence in children born to mothers with intellectual disability: A register study in Sweden during 1999–2012. Child Abuse & Neglect, 65, 124–131. https://doi.org/10.1016/j.chiabu.2017.01.003
Willems, D. L., de Vries, J. N., Isarin, J., & Reinders, J. S. (2007). Parenting by persons with intellectual disability: An explorative study in the Netherlands. Journal of Intellectual Disability Research, 51(8), 537–544. https://doi.org/10.1111/j.1365-2788.2006.00924.x
Zijlstra, A., Joosten, D., Van Nieuwenhuijzen, M., & De Castro, B. O. (2023). The first 1001 days: A scoping review of parenting interventions strengthening good enough parenting in parents with intellectual disabilities. Journal of Intellectual Disabilities, 17446295231219301. https://doi.org/10.1177/17446295231219301
Zijlstra, A., Sterenborg, T., Van Nieuwenhuijzen, M., & De Castro, B. O. (2024). Expectant parents with intellectual disabilities in child protection: Risk factors for child safety. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 37(3), e13230. https://doi.org/10.1111/jar.13230