Redactioneel
Hoofdredacteur
Lange tijd was wetenschap erop gericht de werkelijkheid te begrijpen en te verklaren. De kennis die dat oplevert, zou mensen in staat stellen om te voorspellen wat er gebeurt en de wereld naar hun hand te zetten. Wetenschap beloofde zo zekerheid en comfort.
Hoewel ze ons ver heeft gebracht, begon rond 1900 het vertrouwen af te nemen dat wetenschap overal een antwoord op heeft. Als reactie stelde het postmodernisme dat we nooit de wereld volledig kunnen doorgronden, laat staan bepalen. In plaats van zekerheid en comfort zou wetenschap juist moeten voorkomen dat mensen zich vastklampen aan vermeende waarheden.
Harry Kunneman vertelde onlangs op een symposium dat hij teleurgesteld is in wat die postmoderne gedachte heeft opgeleverd. Hij betwijfelt of wetenschap mensen zo echt wijzer maakt en helpt bij complexe vraagstukken. Volgens hem hebben we meer aan wat hij paramodernisme noemde. Paramodernisme komt niet in plaats van het zoeken naar verklaringen en pogingen om ontwikkelingen te voorspellen, maar bestaat daarnaast. Het bekritiseert de gangbare wetenschap zonder het te verwerpen en zoekt naar nieuwe perspectieven.
Toen ik dit hoorde, moest ik direct denken aan een artikel van Ad van Gennep uit 2017 in NTz, waarin hij terugblikt op zijn oratie in Maastricht twintig jaar eerder. Daarin sprak hij over het veranderen van paradigma’s die bepalen hoe de wetenschap kijkt naar mensen met een verstandelijke beperking. Vroeg of laat verliest zo’n paradigma zeggingskracht en ontstaat er een nieuwe die op dat moment beter aansluit op de wensen en behoeftes van mensen. Het oude paradigma raakt steeds meer op de achtergrond, terwijl de nieuwe steeds dominanter wordt en uiteindelijk de oude verdrijft. In 2017 stelt Van Gennep echter dat er op dat moment nog steeds verschillende paradigma’s naast elkaar bestaan en dat dit in zijn ogen juist behulpzaam is om met vraagstukken om te gaan. Het stelt ons in staat om vraagstukken vanuit verschillende perspectieven te bekijken en bewust te kiezen welke daarvan het beste past. Bovendien maakt de kritiek die de verschillende paradigma’s op elkaar hebben, duidelijk waar de hiaten in de verschillende opvattingen liggen en hoe ze elkaar kunnen aanvullen. Wel pleit hij ervoor om ongeacht het paradigma twee waarden centraal te stellen, namelijk menselijke waardigheid en inclusie.
Deze gedachte sluit mooi aan op de discussie tussen Gijs van Gemert en Arco Fritzsch in de vorige editie van NTz. Beiden willen het goede voor mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. Waar Fritzsch mogelijkheden ziet in de beschikbare wetenschappelijke verklaringen en de voorspellingen, neemt Van Gemert een paramodernistisch standpunt in: hij waarschuwt dat de gangbare benadering van de wetenschap verkeerd uitpakt en roept op de bakens te verzetten.
Dit nummer van NTz bevat een aantal bijdragen die wellicht weer wat meer modernistisch zijn. Ze laten zien hoe met wetenschap geprobeerd wordt meer zekerheid en houvast te bieden. En dat is waardevol. Zoals Kunneman aangeeft hebben we zowel dat als het tegengeluid vanuit het paramodernisme nodig om het goede te doen.
In de eerste bijdrage beschrijven de academische werkplaatsen aan welke kennisuitdagingen zij de komende jaren gezamenlijk gaan werken om de ongelijkheid tussen mensen met en zonder beperking te verminderen.
De tweede bijdrage werpt nieuw licht op de kwetsbare positie van ouders met een verstandelijke beperking in de jeugdbescherming door vernieuwend gebruik te maken van bevolkingsgegevens van het CBS.
De derde bijdrage onderzoekt of een Nederlandse vertaling van een instrument in de praktijk voldoet om dementie bij mensen met downsyndroom vast te stellen zodat zij passende begeleiding krijgen.
In het laatste artikel laten de onderzoekers zien met welke persoonskenmerken van mensen met een verstandelijke beperking rekening gehouden moet worden bij het bevorderen van een gezonde leefstijl.