Artikelen

Effecten van robotdieren op cliënten en zorgverleners in de gehandicaptenzorg

Review van literatuur

Tom van Hoesel, Agnes van der Poel, Bob Hofstede & Brigitte Boon

 

Ir. Tom R. C. van Hoesel, onderzoeker digitale zorg, Vilans. 

 

Dr. Agnes van der Poel, coördinator onderzoek, Academy het Dorp. 

 

Ir. Bob Hofstede, onderzoeker digitale zorg en promovendus sociale robotica, Vilans en Technische Universiteit Eindhoven. 

 

Prof. dr. Brigitte Boon, bijzonder hoogleraar Data en technologie in de gehandicaptenzorg, Tranzo, Tilburg University en Academy Het Dorp. 

 

Correspondentie: 

Tom van Hoesel 

t.vanhoesel@vilans.nl 

Churchilllaan 11 

Postbus 8228 

3527 GV Utrecht 

1. Inleiding

Robotdieren is de verzamelnaam voor de groep technologieën die eruitziet als (huis)dieren en hun gedrag nabootsen. Ze bevatten vaak verschillende sensoren waardoor ze kunnen reageren op het gedrag van de gebruiker. Denk hierbij aan sensoren voor aanraking, geluid of beweging. Er bestaat een grote variatie aan robotdieren: van honden tot dinosaurussen, van simpel tot geavanceerd, en van klein tot even groot als de gebruiker. Hierdoor zijn er ook veel verschillende functionaliteiten mogelijk. Over het algemeen hebben robotdieren op zijn minst de volgende functionaliteiten:  

  • Vrije beweging om ‘dierengedrag’ na te bootsen;  
  • Beweging als reactie op de gebruiker, bijvoorbeeld na aanraking;  
  • Geluid, zowel ‘vrij’ als na een actie van de gebruiker. 

Er zijn ook robotdieren met geavanceerdere functies, zoals stemherkenning, het automatisch kunnen gaan ‘slapen’ in de avond, of het kunnen opbouwen van een ‘geheugen’ over het gedrag van de gebruiker. Robotdieren kunnen ook met een specifiek doel ontwikkeld worden, bijvoorbeeld het meer laten bewegen van de gebruiker door middel van interactieve beweegspelletjes (Vilans, 2025). 

 

Robotdieren vinden hun oorsprong in ‘animal assisted therapy’ (AAT), waarbij het contact met dieren gebruikt wordt om het welzijn van cliënten te bevorderen. Contact met dieren kan stress verlagen en bijdragen aan sociale processen (Nimer & Lundahl, 2007; Maujean et al., 2015). AAT heeft echter nadelen: er zijn risico’s op ziekteoverdracht, vragen rondom verantwoordelijkheid voor de verzorging van het dier, en praktische belemmeringen zoals allergieën (Bert et al., 2016). Robotdieren zijn ontwikkeld met als doel de positieve effecten van AAT te kunnen bieden aan cliënten, maar dan zonder deze nadelen. 

 

De mechanismen achter de werking van robotdieren zijn vergelijkbaar met die van echte dieren. Belangrijk hier is de interactieve en tactiele component: cliënten raken het robotdier aan, ontvangen een directe respons (zoals een geluid of beweging) die aansluit bij hun verwachtingen en reageren daar vervolgens zelf weer op. Zo ontstaat een interactie die betekenisvol, sociaal en tactiel prettig aanvoelt. Deze vorm van interactie bevordert het ervaren van ’affectieve aanraking’ en versterkt daarmee de kalmerende en verbindende effecten die robotdieren kunnen hebben (Eckstein et al., 2020; Sailer & Leknes, 2022). 

 

Binnen de Nederlandse gehandicaptenzorg worden robotdieren veelvuldig ingezet. Uit een recente landelijke inventarisatie bleek dat 44 (van de 69 responderende) organisaties ‘robotdieren of interactieve knuffels’ inzetten met als doel ‘stimulering, beweging, ontspanning en vermaak’ (Bierhoff & Van der Poel, 2024). Er zit veel variatie in het aantal cliënten dat per organisatie gebruik maakt van robotdieren of interactieve knuffels: van enkele tot meer dan 100 cliënten. Binnen een organisatie worden de robotdieren of interactieve knuffels veelal op meerdere intramurale locaties ingezet en bij enkele organisaties ook extramuraal (Bierhoff & Van der Poel, 2024).  

 

Ook in de ouderenzorg worden robotdieren veel ingezet en zijn de effecten die deze robotdieren op cliënten hebben onderzocht. Zo voerden Koh en collega’s (2021) een scoping review uit naar de effecten van ‘goedkope’ robotdieren; robothonden en -katten tussen de $99 en $140. Zij vonden dat de robotdieren een kalmerende werking hebben en kunnen bijdragen aan het verminderen van agitatie en agressie bij ouderen (gezonde ouderen, ouderen in intramurale zorg en mensen met dementie). Daarnaast bleken robotdieren een goede facilitator te zijn voor sociale interacties (Koh et al., 2021). Twee meta-analyses lieten geen verbetering zien op kwaliteit van leven bij mensen met dementie (Lu et al., 2021, Park et al., 2020). Een vermindering van symptomen van depressie werd wel gevonden door Park et al. (2020), maar niet door Lu et al. (2021). Lu et al. (2021) vonden wel verminderde agitatie. Een systematische review en meta-analyse gefocust op de effectiviteit van de robotzeehond Paro in de intramurale ouderenzorg concludeerde uit de meta-analyse, dat er verbeteringen in de kwaliteit van leven van cliënten optraden. Op depressie, agitatie en spanning werden in enkele individuele studies meegenomen in de meta-analyse wel effecten gevonden, maar meta-effecten bleven uit op deze vlakken (Wang et al., 2022). 

 

De positieve effecten die robotdieren op cliënten in de ouderenzorg kunnen hebben, zijn ook relevant voor cliënten in de gehandicaptenzorg, omdat mensen met een verstandelijke beperking een vergelijkbare behoefte kunnen hebben aan rust, vermindering van agitatie en sociale interactie. Voor hen kunnen robotdieren dus ook bijdragen aan kwaliteit van leven. Daarnaast komt psychische problematiek, zoals depressie, relatief vaker voor bij mensen met een LVB (Landelijk Kenniscentrum LVB, 2024), waardoor ook op dit vlak robotdieren effectief kunnen zijn. 

 

Niet alleen cliënten kunnen baat hebben bij de inzet van robotdieren, ook voor zorgverleners kunnen er positieve effecten zijn. Wanneer cliënten rustiger zijn en minder agitatie vertonen, ontstaat voor de zorgverlener een prettiger werkklimaat (Ryan et al., 2021). Op deze manier kunnen robotdieren bijdragen aan minder stress en een lagere werkdruk voor de medewerker, wat ook bleek uit een studie met Paro in de ouderenzorg (Wade et al., 2004). 

 

In tegenstelling tot de ouderenzorg, is er echter weinig bekend over de effectiviteit van robotdieren in de gehandicaptenzorg. Dit brengt ons bij de volgende onderzoeksvraag: wat is er bekend over de effecten van de inzet van robotdieren op cliënten en zorgverleners in de gehandicaptenzorg? 

 

2. Methode

Om de vraag te beantwoorden voerden we een zoekactie in de literatuur uit (Noot 1). De rapid review vond plaats in het kader van de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 (IIG-2), een programma waarin de vanzelfsprekende inzet van technologie in de zorg voor en ondersteuning van cliënten in de gehandicaptenzorg gestimuleerd wordt, met maatwerkondersteuning, onderzoek en kennisverspreiding (KPGS, 2024). Vilans en Academy Het Dorp voeren het programma uit, met financiering van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 

 

2.1 Zoekacties 

Twee onderzoekers hebben onafhankelijk van elkaar gezocht naar relevante literatuur aan de hand van een zoekstrategie voor PubMed, APA PsycNet en Google Scholar (Noot 1). Er is gekozen om naar zowel wetenschappelijk als grijs-gepubliceerde onderzoeksresultaten te zoeken. Grijs-gepubliceerde literatuur is onder andere rapporten van kennisinstellingen en scripties. Daarnaast is gekozen voor een rapid review aanpak, waarbij (de soms meer dan 15.000) zoekresultaten in Google Scholar zijn bekeken tot het punt dat de onderzoekers geen relevante literatuur meer vonden. 

 

Artikelen werden geïncludeerd wanneer aan de volgende criteria werd voldaan:  

  • Studies gericht op het toetsen van effecten van de inzet van robotdieren in de gehandicaptenzorg; 
  • Studies gepubliceerd in het Nederlands of Engels; 
  • De interventie in de studie voldoet aan onze definitie van robotdieren:  
  • Een knuffelbare of niet-knuffelbare robot in de vorm van een dier; of  
  • Een knuffelbare robot in een andere vorm dan een dier; en  
  • Menselijke of dierlijke eigenschappen toegekend aan het robotdier. 

Exclusiecriteria waren: 

  • Studies waarin géén effecten van de inzet van robotdieren getoetst worden of dit niet in de gehandicaptenzorg plaatsvond; 
  • Publicaties waar enkel ervaringen of resultaten van de inzet van robotdieren genoemd worden (bijvoorbeeld factsheets of diashows zonder methodebeschrijving, (online) ervaringsverhalen); 
  • Studies gepubliceerd in andere talen dan het Nederlands of Engels; 
  • De interventie in de studie voldoet niet aan onze definitie van robotdieren (bijvoorbeeld virtuele dieren (avatars) of studies alleen gefocust pluche dieren zonder interactieve functies). 

Deze zoekstrategie leverde meer dan 5000 resultaten op, voornamelijk in Google Scholar (Figuur 1; zie ook Noot 1). Op basis van titel zijn resultaten gescand en geëxcludeerd waarna 27 potentieel relevante artikelen overbleven. Deze set is op basis van titel en abstract door twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar beoordeeld op relevantie voor de onderzoeksvraag. Dit resulteerde in 14 potentieel geschikte artikelen. Vervolgens is deze set full text gescreend op bruikbaarheid. Na het beoordelen van de volledige tekst bleven er 13 artikelen over die aan de inclusiecriteria voldeden: 4 artikelen gepubliceerd in wetenschappelijke peer-reviewed tijdschriften [W], 7 papers van conferenties [C] en 2 grijs-gepubliceerde scripties [G]. Redenen voor het excluderen van artikelen waren dat studies niet de juiste doelgroep hadden of geen effectonderzoeken waren. 

 

 

2.2 Analyse 

Twee onderzoekers hebben de artikelen onafhankelijk van elkaar beoordeeld op kwaliteit met de AACODS-NL (Van Hoesel et al., 2025). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de gemiddelde scores van beide onderzoekers was goed (ICC = 0,82, 95% CI: 0,71 – 0,88). Met deze methode wordt literatuur beoordeeld op zes hoofdlijnen: autoriteit, betrouwbaarheid, validiteit, objectiviteit, actualiteit en significantie. De artikelen zijn door een onderzoeker samengevat in een tabel, die door een andere onderzoeker gecontroleerd is (zie Noot 1). 

 

3. Resultaten

De mate van geavanceerdheid van de robotdieren en het aantal studies naar het betreffende dier wordt in Tabel 1 weergegeven. Het meeste onderzoek is gedaan naar Paro de robotzeehond. 

 

Een overzicht van de kenmerken en resultaten van de 13 geïncludeerde studies is te vinden in Tabel 2 op ntzonline.nl: eerste auteur, jaar van publicatie, gebruikt robotdier, steekproefgrootte, kenmerken van deelnemers, studiedesign, soort interventie, primaire uitkomstmaat, meetinstrumenten, resultaten en kwaliteit. We verwijzen naar deze artikelen met de nummers uit Tabel 2 aan het einde van dit artikel. 

 


We vonden één gerandomiseerde en gecontroleerde cross-over studie [W10], drie pre-/post-observatiestudies met kwantitatieve uitkomstmaten [W01, W02, G12], drie kwantitatief beschrijvende studies op basis van observaties [C04, C08, C13], vier kwalitatief beschrijvende studies op basis van observaties/interviews [C05, G07, W09, C11], één beschrijvende mixed methodes studie [C03] en één haalbaarheidsstudie met pre-/post-observaties en kwantitatieve uitkomstmaten [C06]. 

 

We vonden geen studies met enkel uitkomsten op zorgverleners. Drie studies rapporteerden over zowel cliënten als zorgverleners [G07, W09, G12]. De onderzochte cliëntgroepen in de studies zijn divers: van cliënten met een autismespectrumstoornis [W01, C03, C08, W09, W10], verschillende taal-communicatie beperkingen [W01, C03], cognitieve en fysieke-functie achterstanden [C04], Downsyndroom [C03, C05, C08], Hanhart en Möbius syndroom [C05], Prader-Willysyndroom [C08], verstandelijke beperking (mate niet genoemd) [C08, C11], matig tot ernstige verstandelijke beperking [W02, C03, C13], ernstige verstandelijke beperking [C03], EVB+ [G12] tot (ernstige) meervoudige beperking [C03, C06, G07, W10] (zie Tabel 2 aan het einde van dit artikel).  

 

Er is onderzoek gedaan naar zowel kinderen [W01, C03-C06, C08, W09, W10, C13] als volwassenen [W02, C06-C08, C11, G12, C13]. De grootte van de onderzoekspopulaties varieerde van één in een single-case studie [C04] tot 40 kinderen in een kwalitatieve studie [W01]. 

 

Negen studies scoorden een hoge kwaliteit [W01, W02, C03, G07, C08, W09, W10, C11, G12], drie een gemiddeld tot hoge kwaliteit [C04, C05, C13] en één een gemiddelde kwaliteit [C06]. 

 

De resultaten van de studies zijn te vatten in een aantal thema’s: Communicatieve en sociaal-emotionele vaardigheden, Gemoedstoestand en spanning, Individuele doelen, Actief robotdier vs. passief knuffeldier en Effecten op begeleiders. Waar mogelijk worden de uitkomsten van kwantitatieve analyses beschreven. Wanneer we dit niet beschrijven, was deze informatie niet beschikbaar in het betreffende artikel. 

 

3.1 Communicatieve en sociaal-emotionele vaardigheden 

Het meest gevonden effect van gebruik van robotdieren door mensen met een beperking, is dat het robotdier faciliterend kon werken voor sociaal-emotionele vaardigheden bij kinderen [W01, C03, C04, C05, C08, W10]. In het merendeel van deze studies werd het gedrag van kinderen geobserveerd tijdens speelsessies met het robotdier [W01, C04, C05, C08, W10]. Zo hadden kinderen tijdens speelsessies met de robotdinosaurus Pleo meer verbale uitingen (M = 43,0, SD = 19,4) dan tijdens speelsessies met een volwassene (M = 36,8, SD = 19,2, t(23) = 1,97, p < 0,05) of een computerspel (M = 25,2, SD = 13,4, t(23) = 4,47, p < 0,001). Ook hadden ze meer verbale uitingen tegen de onderzoeker wanneer ze tegelijkertijd interactie hadden met de robot (M = 29,5, SD = 16,6), in vergelijking met de volwassene (M = 25,5, SD = 15,5), t(23) = 1,87, p < 0,05) of het computerspel (M = 20,5, SD = 10,1), t(23) = 3,05, p < 0,001) [W10]. In speelsessies met de robotdieren Paro [C05] en Teo [C08] werd geobserveerd dat het robotdier in groepssettings faciliterend werkte voor onderlinge sociale uitwisselingen en communicatie tussen speelmaatjes. Bij het onderzoek naar Teo [C08] waren er in de tweede 1-op-1 speelsessie met de robot, in vergelijking met de eerste speelsessie, 45% meer ‘positieve uitingen’ op zowel sociaal, functioneel als emotioneel gebied bij de deelnemers. In een speelsessie met meerdere kinderen en Teo was dit percentage 64%. Ook werden er tijdens het spelen met de robotdieren meer emoties geuit [C04, C08]. In de grootste observatiestudie (met n = 40) werd gevonden dat jonge kinderen met een autismespectrumstoornis zonder verstandelijke beperking verbeterden op gebied van communicatieve en sociale vaardigheden. Voor de groep kinderen met autismespectrumstoornis én verstandelijke beperking werd geen verschil gevonden [W01]. Uit vragenlijstenonderzoek, focusgroepen en interviews onder ouders, verzorgers en schoolpersoneel van kinderen op een school voor verschillende beperkingen kwam naar voren dat robotdieren de kinderen konden ondersteunen in sociale vaardigheden en dat ‘life skills’ zoals geduld en concentratie bevorderd werden [C03].  

 

In studies bij volwassenen werden ook aanwijzingen voor verbeteringen op sociaal-emotioneel vlak gevonden [C05, C11, C13]. Zo zorgde de aanwezigheid van robothond AIBO op een woongroep voor een sterkere groepscohesie en verminderde eenzaamheid. De robot werkte hier verbindend; er werd gezamenlijk mee gespeeld en er werd over gepraat [C11]. 

Ten slotte werd in de studie naar robotdolfijn SAM gevonden dat deze effectief is in het vasthouden van de aandacht van de deelnemers. Tijdens het interactiemoment wisten deelnemers hun aandacht gedurende 70 tot 93% van de tijd op SAM gericht te houden. Deelnemers waren 15 tot 29 jaar, de verdeling tussen jongeren en volwassenen is niet beschreven. Ook eventuele verschillen tussen leeftijden zijn niet beschreven [C13]. 

 

3.2 Gemoedstoestand en spanning 

In een studie met robotkat Ginger werd gevonden dat deze spanning kon wegnemen en troost en veiligheid kon bieden bij mensen met een ernstige verstandelijke beperking (EVB) en moeilijk verstaanbaar gedrag [G12]. In twee andere studies werden geen duidelijke positieve effecten van robotzeehond Paro op de gemoedstoestand van de cliënten gevonden [W02, C06]. In één studie werd gerapporteerd dat de interactie met robotdolfijn SAM geen toename van spanning veroorzaakte bij de deelnemers [C13]. 

 

3.3 Individuele doelen 

Eén haalbaarheidsstudie was gericht op de ondersteuning van robotzeehond Paro bij het behalen van individuele doelen [C06]. Zo stelden begeleiders van de acht deelnemers (drie kinderen, vijf volwassenen) voor elk van hen een persoonlijk therapeutisch of zorg-gerelateerd doel op, waarna de voortgang op deze niet nader gespecificeerde doelen werd bijgehouden met de Individually Prioritized Problems Assessment (IPPA). Voor de volwassen deelnemers had Paro een positieve invloed op het behalen van de opgestelde doelen: 3 van de 5 volwassenen haalden hogere IPPA-scores tijdens de interventieperiode (4,2 – 5) in vergelijking met de baseline meting (3,9 – 4,5). De verschillen zijn echter niet statistisch getoetst. Voor de kinderen die deelnamen was geen positieve invloed van Paro te zien. 

 

3.4 Actief robotdier vs. passief knuffeldier 

Een drietal studies maakt expliciet onderscheid tussen een ‘actief’ robotknuffeldier (zeehond Paro) en een ‘passief’ knuffeldier [W02, C04, G07]. Eén studie kende geen overduidelijke voordelen op het gebied van alertheid en gemoedstoestand toe aan Paro ten opzichte van een passief knuffeldier [W02] en een tweede studie betwijfelde ook of een duur en actief robotdier, zoals Paro, meer effect zou hebben op de doelgroep met een ernstig meervoudige beperking (EMB) dan een passief knuffeldier [G07]. Daarentegen vond de derde studie wel een verschil: Paro in actieve stand (met alle functionaliteiten aan, waardoor de robot kon reageren op input van de gebruiker) werd vergeleken met Paro in passieve stand (alle functionaliteiten uit, waardoor het een passief knuffeldier werd). Hier werd gevonden dat het actieve knuffeldier een kind meer kon activeren dan de robot in de passieve stand [C04]. 

 

3.5 Effecten op begeleiders 

In drie studies werd ook een aantal effecten van robotdieren op zorgverleners en begeleiders genoemd. Zo werd gevonden dat twee van de drie begeleiders minder spanning opbouwden door het betrekken van de robotkat in de cliëntinteractie, waardoor zij een ‘presente houding’ makkelijker konden volhouden [G12]. Een tweede studie vond in interviews dat Paro zorgde voor voldoening en werkvreugde bij zorgverleners, maar niet voor taakverlichting [G07]. De derde studie vond daarentegen wél dat begeleiders tijdelijke verlichting in hun werk ervaarden en een meer observerende rol konden aannemen, omdat de cliënt zelfstandig met het robotdier Teo kon spelen [W09]. 

 

4. Discussie en conclusie

In dit artikel is gekeken naar wat er bekend is over de effecten van de inzet van robotdieren bij cliënten en zorgverleners in de gehandicaptenzorg. We vonden dertien relevante artikelen/studies, waarvan vier gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften, zeven conferentie papers en twee grijs-gepubliceerd. Het aantal onderzoeken naar de effectiviteit van robotdieren in de gehandicaptenzorg bleek, zeker in vergelijking met de ouderenzorg, erg beperkt. 

 

4.1 Effecten van robotdieren op cliënten 

De resultaten uit de studies komen samen in een aantal thema’s. Het meeste onderzoek is gedaan op het thema communicatieve en sociaal-emotionele vaardigheden bij kinderen, waarop verbeteringen werden gevonden na de inzet van robotdieren [W01, C03, C04, C05, C08, W10]. Echter, slechts één van deze studies had een controlegroep [W10] en er was één studie met voor-na metingen bij dezelfde groep [W01]. Deze twee studies hadden bovendien beide statistisch significante resultaten, en waren de grootste studies met 40 [W01] en 24 [W10] deelnemende kinderen met een autismespectrumstoornis. Het sterkste bewijs voor een positief effect van robotdieren op communicatieve en sociaal-emotionele vaardigheden is er dus voor deze doelgroep. In de rest van de studies is er grote variatie in het type beperking van de deelnemers [C04, C08, C15] en zijn steekproefgroottes klein [C04, C05, C08], waardoor het lastig is om eenduidige conclusies te trekken. Hetzelfde geldt voor de studies bij volwassenen op dit thema: er zijn voorzichtige aanwijzingen voor verbeteringen, maar er zijn geen controlecondities of voor-na metingen gedaan [C05, C11, C13]. 

 

Op het thema gemoedstoestand en spanning werden geen eenduidige resultaten voor cliënten in de gehandicaptenzorg gevonden. Drie studies vonden hele wisselende resultaten en sterke individuele verschillen [W02, C06, G12]; één studie concludeerde dat het robotdier niet voor spanning zorgde bij de deelnemers [C13]. Deze laatste studie bestond echter maar uit één speelsessie met het robotdier, terwijl de andere drie studies voor- en nametingen hadden [W02, C06, G12].  

 

Over de effecten van robotdieren op het thema individuele doelen is één haalbaarheidsstudie gepubliceerd, waar een positief effect gevonden werd bij de volwassen deelnemers [C06]. Bij de kinderen werd geen effect gevonden, wat verklaard werd doordat kinderen met Paro willen spelen en het robotdier daarvoor ‘te passief en te groot’ is.  

 

Voor de resultaten bij het thema actieve vs. passieve robotdieren zijn de resultaten ook wisselend: twee studies vonden geen voordelen van een actief robotdier ten opzichte van een passief knuffeldier [W02, G07]. Een derde studie vond wél dat een kind van 2-jaar oud actiever werd door het actieve robotdier, maar verschillen werden niet statistisch getoetst [C04]. 

 

Op begeleiders lijken robotdieren positieve effecten te hebben zoals ontspanning [G12] en werkvreugde [G07]. Over werkverlichting zijn resultaten wisselend, zo vond één studie dit effect wel [W09], maar een andere niet [G07]. 

 

Hoewel veel studies van hoge kwaliteit zijn, is het aantal studies – zeker die met een controleconditie én statische toetsing op significantie – klein, met bovendien een variatie aan deelnemers. Hierdoor moeten de resultaten op alle verschillende thema’s met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Daarnaast wordt in verschillende studies genoemd dat niet álle cliënten altijd positief reageren op robotdieren. Zo komt het voor dat zij defensief reageren [C06], het eng of raar vinden [G07] of het herhaaldelijk wegduwen [G12]. Tenslotte kan op basis van dit literatuuronderzoek geen uitspraak gedaan worden over de samenhang tussen de mate van geavanceerdheid (en mogelijkheid tot persoonsgerichte inzet) en effecten van robotdieren. 

 

4.2 Sterke en zwakke punten van het onderzoek 

Een sterk punt is dat de onderzoeksvraag direct afkomstig is uit de praktijk, gebaseerd op de eerdergenoemde inventarisatie in de sector (Bierhoff & Van der Poel, 2024). Ook hebben we onderzoeken uit de grijze literatuur en conferentie artikelen meegenomen, die in veel andere literatuurstudies geëxcludeerd zouden worden. Daarnaast is er een kwaliteitscheck van de literatuur uitgevoerd met de AACODS-NL door twee onafhankelijke onderzoekers, waaruit bleek dat er geen studies van lage kwaliteit zijn meegenomen in deze rapid review. 

Als zwakker punt kan genoemd worden dat dit literatuuronderzoek een rapid review is; wanneer een zoekopdracht op Google Scholar duizenden resultaten opleverde, werden deze gescreend tot de onderzoeker geen relevante resultaten meer vond. Ook zijn er in de inclusiecriteria andere keuzes te maken voor wanneer een technologie wel of niet als robotdier wordt bestempeld. Zo heeft bijvoorbeeld het inclusiecriterium ‘Een knuffelbare robot in een andere vorm dan een dier’ ervoor gezorgd dat de robot Teo meegenomen werd, terwijl dat geen dier is. Deze twee factoren zorgen ervoor dat we mogelijk artikelen gemist kunnen hebben. Ten slotte is er bij literatuuronderzoek kans op publicatiebias. Dit betekent dat studies met positieve of significante resultaten vaker worden gepubliceerd dan studies met negatieve, neutrale of niet-significante uitkomsten. Hierdoor kunnen robotdieren effectiever lijken dan ze in werkelijkheid zijn.

 

4.3 Suggesties voor vervolgonderzoek 

Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op het uitvoeren van grotere studies met controlegroepen en voor- en nametingen, zodat effecten betrouwbaarder kunnen worden vastgesteld. Tot nu is dergelijk onderzoek alleen uitgevoerd bij kinderen met een autismespectrumstoornis. Ook is het wenselijk om studies met langere follow-upperiodes uit te voeren, zodat de duurzame effecten van robotdieren in kaart kunnen worden gebracht. De geïncludeerde studies hebben namelijk, met uitzondering van C03 en W09, korte onderzoeksperioden of enkele sessies met het robotdier. Bij dergelijke onderzoeksdesigns is er het risico om novelty-effecten te meten: het verschijnsel dat de aanvankelijke positieve effecten vooral worden veroorzaakt door de nieuwigheid van de interventie (het robotdier), en mogelijk afnemen naarmate de interactie vaker plaatsvindt. 

 

Verder zouden vergelijkende studies naar de mate van geavanceerdheid van robotdieren kunnen bijdragen aan inzicht in welke kenmerken bepalend zijn voor effectiviteit. 

 

4.4 Conclusie voor de praktijk 

Robotdieren worden in de gehandicaptenzorg al ingezet met doelen zoals stimulering, beweging, ontspanning en vermaak (Bierhoff & Van der Poel, 2024). De resultaten van deze rapid review laten zien dat er voor het doel stimulering, specifiek van communicatie en sociale interactie, het meeste bewijs is voor de effectiviteit van robotdieren. Dit geldt met name voor kinderen met een autismespectrumstoornis. Voor andere doelgroepen, zoals volwassenen of mensen met ernstige meervoudige beperkingen, is het bewijs beperkter. Voor andere uitkomstmaten, zoals spanning, individuele doelen en werkbelasting van zorgverleners, zijn de resultaten wisselend. De inzet van robotdieren kan dus waardevol zijn, maar het is niet vanzelfsprekend dat ze voor alle cliënten of doelen effectief zijn.  

 

Uit deze rapid review kwamen geen directe negatieve gevolgen van de inzet van robotdieren naar voren. Een aanbeveling is om robotdieren, op basis van de professionele inschatting van de begeleider, doelgericht in te zetten bij cliënten waarvan zij verwachten dat ze er baat bij hebben. Het blijft belangrijk om de effecten te monitoren en kritisch te blijven op aannames, zodat de inzet van robotdieren daadwerkelijk bijdraagt aan het welzijn van cliënten en werkplezier van zorgverleners. 

 

Samenvatting

Inleiding. Een landelijke inventarisatie toonde aan dat er binnen de gehandicaptenzorg regelmatig robotdieren worden ingezet. Dit zijn knuffelbare robots in de vorm van een dier, die het gedrag van het dier nabootsen. In de ouderenzorg hebben robotdieren effect op onder andere kalmering en het faciliteren van sociale interacties. Deze effecten zijn ook relevant in de gehandicaptenzorg. De onderzoeksvraag luidt daarom: wat zijn de effecten van de inzet van robotdieren op cliënten en zorgverleners in de gehandicaptenzorg? 

Methode. Een rapid review van de literatuur, gebruikmakende van de databases PubMed, APA PsycNet en Google Scholar. De kwaliteit van de literatuur is beoordeeld met de AACODS-NL.  

Resultaten. Er werden 13 studies gevonden. De onderzochte doelgroepen in de studies zijn divers: van cliënten met een autismespectrumstoornis tot ernstige verstandelijke beperking. De resultaten van de studies omvatten een aantal thema’s: sociaal-emotionele vaardigheden, gemoedstoestand en spanning, individuele doelen, actief robotdier vs. passief knuffeldier en effecten op begeleiders. Op het gebied van sociaal-emotionele vaardigheden zijn de sterkste aanwijzingen voor positieve effecten van robotdieren, maar ook daar is het aantal studies laag, zijn de samples klein of zijn er slechts korte interacties met het robotdier. Er werden geen studies gevonden met enkel uitkomsten op begeleiders. Drie studies rapporteerden over zowel cliënten als zorgverleners. 

Conclusie. De uitkomstmaten in de studies variëren, net als de cliëntgroepen bij wie robotdieren worden ingezet. Er kunnen geen eenduidige conclusies getrokken worden over de effectiviteit van de inzet van robotdieren.

 

Summary

Introduction. A nationwide survey revealed that robotic pets are regularly used in disability care. Robotic pets are cuddly robots designed to resemble animals that mimic animal behavior. In elderly care, they have been shown to have calming effects and to facilitate social interaction. These effects are also relevant in disability care. Therefore, the research question is: what are the effects of using robotic pets on clients and caregivers in disability care?  

Method. A rapid review of the literature, using the databases PubMed, APA PsycNet, and Google Scholar. The quality of the literature has been assessed with the AACODS-NL.   

Results. Thirteen relevant studies were identified. The target populations in these studies varied, ranging from clients with autism spectrum disorders to those with profound intellectual and multiple disabilities. The findings grouped into several themes: social-emotional skills, mood and stress, individual goals, active robotic pets vs. passive cuddly toys, and effects on caregivers. The strongest indications of positive effects of robotic pets relate to social-emotional skills. However, there are few studies, sample sizes are small, or interactions with the robotic pets are brief. Three studies briefly addressed effects on caregivers.  

Conclusion. Outcome measures and client groups varied considerably across the included studies. As a result, no definitive conclusions can be drawn regarding the effects of using robotic pets in disability care.  

Noot 1

Een uitgebreide beschrijving van de methode, inclusief kwaliteitstabellen en volledige referenties, is op te vragen via info@academyhetdorp.nl.  

Referenties

[C06] Bemelmans, R., & De Witte, L. (2015). A pilot study on the feasibility of Paro interventions in intramural care for intellectual disabled clients. Proceedings New Friends 2015 - The 1st International Conference on Social Robots in Therapy and Education. https://www.researchgate.net/publication/286417537_A_Pilot_Study_On_The_Feasibility_of_Paro_Interventions_In_Intramural_Care_For_Intellectual_Disabled_Clients 

 

Bert, F., Gualano, M. R., Camussi, E., Pieve, G., Voglino, G., & Siliquini, R. (2016). Animal assisted intervention: A systematic review of benefits and risks. European Journal of Integrative Medicine, 8(5), 695-706. https://doi.org/10.1016/j.eujim.2016.05.005 

 

Bierhoff, I., & Van der Poel, A. (2024). Welke technologie gebruiken organisaties in de gehandicaptenzorg bij de zorg en ondersteuning van hun cliënten en medewerkers? Resultaten uit inventarisatie 2023. Utrecht/Arnhem: Vilans/Academy Het Dorp. https://www.kennispleingehandicaptensector.nl/tips-tools/tips/welke-technologieen-worden-gebruikt-in-de-gehandicaptenzorg 

 

[C08] Bonarini, A., Garzotto, F., Gelsomini, M., Romero, M., Clasadonte, F., & Yilmaz, A.N.C. (2016). A huggable, mobile robot for developmental disorder interventions in a multi-modal interaction space. 25th IEEE International Symposium on Robot and Human Interactive Communication (RO-MAN), pp. 823-830. http://doi.org/10.1109/ROMAN.2016.7745214 

 

[W09] Brivio, A., Rogacheva, K., Lucchelli, M., & Bonarini, A. (2021). A soft, mobile, autonomous robot to develop skills through play in autistic children. Paladyn, 12(1), 187–198. https://doi.org/10.1515/pjbr-2021-0015 

 

[C13] Crovari, P., Gianotti, M., Riccardi, F., & Garzotto, F. (2019). Designing a smart toy: guidelines from the experience with smart dolphin "SAM". Proceedings of the 13th Biannual Conference of the Italian SIGCHI Chapter: Designing the next interaction, pp. 1-10. https://doi.org/10.1145/3351995.3352041 

 

Eckstein, M., Mamaev, I., Ditzen, B., & Sailer, U. (2020). Calming effects of touch in human, animal, and robotic interaction – Scientific state-of-the-art and technical advances. Frontiers in Psychiatry, 11. https://doi.org/10.3389/fpsyt.2020.555058 

 

[G07] Fokkens, A.S., Flobbe, A., Jager, A., & Dijkstra, G.J. (2019). Paro de robotzeehond: ervaringen bij mensen met een ernstige meervoudige beperking [Scriptie]. https://www.alliade.nl/over-alliade/praktijkgericht-wetenschappelijk-onderzoek/scripties/1067/paro-de-robotzeehond-ervaringen-bij-mensen-met-een-ernstige-meervoudige-beperking 

 

[C11] Helm, M., Carros, F., Schädler, J., & Wulf, V. (2022). Zoomorphic robots and people with disabilities. MuC '22: Proceedings of Mensch und Computer. https://doi.org/10.1145/3543758.3547552 

 

[G12] Hooge, M.T., Enders-Slegers, M.J., & Bolman, C. (2019). De invloed van een robotkat op het spanningsniveau van EVB+-cliënten en hun begeleiders. https://www.platformevbplus.nl/wp-content/uploads/2020/07/2019-12-15-Masterscriptie-Magdaleen-Hooge-normale-lay-out.pdf 

 

KPGS. (2024). Innovatie-impuls 2. https://www.kennispleingehandicaptensector.nl/wat-doen-we/programma-s-en-projecten/innovatie-impuls 

 

Koh, W. Q., Ang, F. X. H., & Casey, D. (2021). Impacts of low-cost robotic pets for older adults and people with dementia: Scoping review. JMIR rehabilitation and assistive technologies, 8(1), e25340. https://doi.org/10.2196/25340 

 

[W10] Kim, E. S., Berkovits, L., Bernier, E., Leyzberg, D., Shic, F., Paul, R., & Scassellati, B. (2012). Social robots as embedded reinforcers of social behavior in children with autism. Journal Of Autism and Developmental Disorders, 43(5), 1038–1049. https://doi.org/10.1007/s10803-012-1645-2 

 

Landelijk Kenniscentrum LVB. (2024). Cijfers over LVB in de samenleving. https://www.kenniscentrumlvb.nl/over-lvb/lvb-in-de-samenleving/ 

 

Lu, L., Lan, S., Hsieh, Y., Lin, L., Lan, S., & Chen, J. (2021). Effectiveness of companion robot care for dementia: A systematic review and meta-analysis. Innovation in Aging, 5(2). https://doi.org/10.1093/geroni/igab013 

 

[C04] Marti, P., Palma, V., Pollini, A., Rullo, A., & Shibata, T. (2005) My Gym Robot. Proc. AISB '05 Symposium on Robot Companion Hard Problem and Open Challenges in Human-Robot Interaction, 2005, pp.64-73 https://www.researchgate.net/publication/283614474_My_gym_robot 

 

[C05] Marti, P., Pollini, A., Rullo, A., & Shibata, T. (2005) Engaging with artificial pets. ACM International Conference Proceeding Series, Vol. 132. 99-106. https://dl.acm.org/doi/10.5555/1124666.1124680 

 

Maujean, A., Pepping, C. A., & Kendall, E. (2015). A systematic review of randomized controlled trials of animal-assisted therapy on psychosocial outcomes. Anthrozoös, 28(1), 23-36. https://doi.org/10.2752/089279315X14129350721812 

 

Nimer, J., & Lundahl, B. (2007). Animal-assisted therapy: A meta-analysis. Anthrozoös, 20(3), 225-238. https://doi.org/10.2752/089279307X224773 

 

Park, S., Bak, A., Kim, S., Nam, Y., Kim, H., Yoo, D., & Moon, M. (2020). Animal-assisted and pet-robot interventions for ameliorating behavioral and psychological symptoms of dementia: A systematic review and meta-analysis. Biomedicines, 8(6), 150. https://doi.org/10.3390/biomedicines8060150 

 

Ryan, C., Bergin, M., & Wells, J. S. G. (2021). Work-related stress and well-being of direct care workers in intellectual disability services: A scoping review of the literature. International Journal of Developmental Disabilities, 67(1), 1-22. https://doi.org/10.1080/20473869.2019.1582907 

 

Sailer, U., & Leknes, S. (2022). Meaning makes touch affective. Current Opinion in Behavioral Sciences, 44, 101099. https://doi.org/10.1016/j.cobeha.2021.101099 

 

[C03] Silvera-Tawil, D., & Roberts-Yates, C. (2018). Socially assistive robots to enhance learning for secondary students with intellectual disabilities and autism. Proceedings of the 27th IEEE International Symposium on Robot and Human Interactive Communication. https://doi.org/10.1109/ROMAN.2018.8525743 

 

Van Hoesel, T. R. C., Rinzema, R. T. E., Bierhoff, I. W. H. H., Van der Poel, A., Nap, H. H. & Buimer, H. P. (2025). AACODS-NL – Een methode voor de beoordeling van de kwaliteit van grijze literatuur. https://www.vilans.nl/wat-doen-we/projecten/waardewaaier/bestaand-bewijs-evalueren 

 

[W01] Veronesi, C., Trimarco, B., Botticelli, N., Armani, G., Bentenuto, A., Fiorello, F., Picchiotti, G., & Sogos, C. (2023). Use of the PARO robot as a social mediator in a sample of children with neurodevelopmental disorders and typical development. La Clinica Terapeutica, 174(2), 132-138. https://doi.org/10.7417/ct.2023.2509 

 

Vilans. (2025). Kennisbank Digitale Zorg – Technologieën – Robotdier. https://www.vilans.nl/kennisbank-digitale-zorg/technologieen/robotdieren  

 

Wada, K., Shibata, T., Saito, T., & Tanie, K. (2004). Effects of robot-assisted activity for elderly people and nurses at a day service center. Proceedings of the IEEE, 92(11), 1780–1788. http://doi.org/10.1109/jproc.2004.835378 

 

[W02] Wagemaker, E., Dekkers, T. J., Van Rentergem, J. A. A., Volkers, K. M., & Huizenga, H. M. (2017). Advances in mental health care: Five N = 1 studies on the effects of the robot seal Paro in adults with severe intellectual disabilities. Journal Of Mental Health Research in Intellectual Disabilities, 10(4), 309-320. https://doi.org/10.1080/19315864.2017.1320601 

 

Wang, X., Shen, J., & Chen, Q. (2022). How PARO can help older people in elderly care facilities: A systematic review of RCT. International Journal of Nursing Knowledge, 33(1), 29-39. https://doi.org/10.1111/2047-3095.12327 

Deel dit artikel
Vangorcumtijdschriften.nl maakt gebruik van cookies.

Welkom! Leuk dat je een bezoekje brengt op vangorcumtijdschriften.nl. Wij, en derde partijen, maken op onze websites gebruik van cookies. Wij gebruiken cookies voor het bijhouden van statistieken, om jouw voorkeuren op te slaan, maar ook voor marketingdoeleinden (bijvoorbeeld het sturen van een bericht als je winkelwagen nog vol is). Door op 'Zelf instellen' te klikken, kun je meer lezen over onze cookies en je voorkeuren aanpassen.

Zelf instellen
Alle cookies accepteren
Uw cookie instellingen
Deze website maakt gebruik van functionele en analytische cookies, die nodig zijn om deze site zo goed mogelijk te laten functioneren. Hieronder kan je aangeven welke andere soorten cookies je wilt accepteren.
Functionele cookies

Functionele cookies ondersteunen de basisfuncties van een website zoals paginanavigatie en toegang tot beveiligde delen van de website mogelijk maken. Zonder deze cookies kan de website niet naar behoren functioneren.

Analytische cookies

Analytische cookies helpen ons om te begrijpen hoe bezoekers omgaan met onze website door anoniem informatie te verzamelen en te rapporteren. Deze informatie wordt gebruikt om de website te verbeteren.

Marketing en tracking cookies

Marketing cookies worden gebruikt voor het functioneren van ons opvolgsysteem met betrekking tot account activiteiten(als het niet kunnen afronden van bestelling). Ook wordt er informatie verzameld om dit zoveel mogelijk aan te sluiten bij je interesses.

Cookies instellingen opslaan